Schipperen is levenskunst

Schipperen is levenskunst

 nnSchipperen is meebewegen

Onlangs raakte ik in gesprek met een lezer van mijn boekje ‘Schipperen is levenskunst. Persoonlijk leiderschap in roerige tijden’ dat in juni uitkwam. Zowel haar als mijn kinderen zijn nu twintigers, en terugkijkend op de opvoeding beseften we dat het begrip schipperen ook zeer van toepassing is op het ‘moederen’ en ‘vaderen’. En dan het schipperen niet alleen in de zin van laveren en bijsturen maar zeker ook in de betekenis van het uitzetten van de koers als schipper.

Als ouders is het de kunst om voortdurend mee te bewegen met wat op een zeker moment nodig is  voor de kinderen, en ook voor jezelf en je relatie. Tegelijkertijd houd je daarbij als het goed is het opvoedingsdoel voor ogen: hoe help je je kinderen opgroeien tot volwassenen die hun weg in de wereld weten te vinden en hun bijdrage aan de samenleving kunnen geven?

Hoe ouder onze kinderen werden, hoe meer ze oppikten van ons uitgangspunt bij de opvoeding en begeleiding naar volwassenheid. Het motto was: ‘vrijheid is niet los verkrijgbaar: het gaat altijd om de combinatie van de twee V’s van Vrijheid en Verantwoordelijkheid’ (*).

Mijn partner had er lol in om het verlangen naar meer vrijheid bij de kinderen steeds proberen net voor te zijn. Een voorbeeld uit hun puberteit: hij vermoedde dat onze zoon niet meer opgehaald wilde worden na een feestje verder weg. Voordat hij ons daarom vroeg kreeg hij het voorstel: als je eraan toe bent om alleen naar huis te gaan, moet je voor twee dingen verantwoordelijkheid nemen: 1) niet zóveel drinken dat je niet zonder risico zelf thuis kan komen en 2) je houden aan het afgesproken tijdstip (en dus niet beschonken drie uur later thuiskomen).

Een ander opvoedprincipe was: Gelijke monniken, gelijke kappen; ongelijke monniken, ongelijke kappen. Dus voor een dochter die niet van drinken houdt en uit zichzelf op tijd komt, geldt weer een andere overeenkomst, zoals ‘zorg dat je met minstens twee anderen naar huis fietst, waarvan één  een betrouwbare jongen’. Als blijkt dat het kind leert om zich die twee V’s steeds meer eigen te maken, krijgt het automatisch ook meer ruimte en hoeft daar niet voor te gaan knokken: zo kan het losmaken dus op een organische manier groeien.

Wat ik toen ik moeder werd niet besefte, was hoe sterk ik de verantwoordelijkheid zou gaan voelen voor de kinderen die aan me toevertrouwd waren. En ook hoe zwaar dat kon zijn bij tijd en wijle, wat me zo kon doen verlangen naar meer vrijheid. Hoe gezellig en vervullend het gezinsleven ook kan zijn als je een beetje geluk hebt: veel ouders weten ook dat het gepaard kan gaan met gevoelens van beknelling door de ijzeren patronen en vele verplichtingen die een gezin nu eenmaal met zich meebrengen.  Het vraagt om geduld, om mee te veren met het tempo van de kinderen en het gezinsleven. Er druk op zetten werkt niet, net zoals gras niet groeit door eraan te trekken heb je met kinderen niks aan haast. “No hurry, no worry”.

Toen ik nadat ik onze jongste in groep 1 had gebracht voor haar eerste schooldag ontroerd en met een gevoel van verlies naar huis fietste, voelde ik toch ook al snel de vreugde ervan. Het gaf ruimte voor nieuwe dingen. De kleintjes die vaardiger worden en steeds minder afhankelijk geven ouders weer zicht op andere mogelijkheden. Meer ruimte voor ontwikkeling, voor verdere ontplooiing, al dan niet via het werk. Dus toen ‘poef!’ opeens acht jaar later de middelbareschooltijd aanbrak, leefde ik in de verwachting dat er zeeën van tijd voor ons lagen.

Bij mijn eigen start in de brugklas regelde ik destijds alles zelf en had mijn ouders niet nodig – althans dat dacht ik, ook omdat zij als Noordzeevisser en fulltime moeder van een groot gezin geen idee hadden wat een havo/vwo-brugklas inhield. Het lukte me allemaal best en ik werd snel zelfstandig. Maar 35 jaar later met mijn eigen kinderen was het toch echt andere koek. Wát een hoge eisen, wat een hoop huiswerk, wat een plannings- en coördinatievaardigheden werden er van hen gevraagd. Ik kon me niet voorstellen dat er kinderen waren die dit zonder hulp en nabijheid van hun ouders konden redden, hoewel ik niet uitsluit dat het voor twaalfjarigen met een meer praktische inslag en/of meer motivatie beter te doen zal zijn.

Opnieuw schipperen dus, niks forceren en niet haasten. Bijsturen en langszij komen bij de kinderen om in te spelen op wat zij nodig hadden, de koers voor onszelf weer even verleggen. Het was mijn ervaring dat elke fase weer om een andere vorm van schipperen vraagt, en ons uitdaagt ons kompas te blijven gebruiken als check of we op koers zijn: leven we volgens onze (gezins)waarden? Draagt dit bij aan het floreren van onze kinderen, van onszelf? Waar draait het nu écht om?

Bijsturen en geduld oefenen, jezelf trainen in geen  haast hebben is iets wat ouders van kinderen met een handicap, ontwikkelingsachterstand of ernstige ziekte in sneltreinvaart (moeten) leren. Meestal kan dat gelukkig wat rustiger, met horten en stoten. Hoe dan ook: het scheelt veel frustratie als we onder ogen zien wat er nodig is en leren vertrouwen op de ontwikkeling van onze kinderen.

Achteraf had ik dat beter kunnen doen dan dat ik deed, ik had soms te veel haast. Haast hebben jaagt onvrede aan, meebewegen geeft meer bevrediging. Ik kan wel zeggen hoe enorm vervullend het is om te zien dat je jongvolwassen kinderen – ondanks de ouderlijke missers –  inderdaad uitgegroeid zijn tot  mensen die in staat zijn tot zelfverantwoordelijke zelfbepaling. Als moeder was ik kennelijk toch echt ‘good enough’, kan ik dan opgelucht constateren; gelukkig hangt niet alles van ons alleen af!

 

(*) Tijdens onze studie maakten wij kennis met de pedagogiek van Langeveld, die we inspirerend vonden omdat hij zowel naar het kind keek als naar het deel uitmaken van een groter geheel. Uit Wikipedia: “Het doel van de opvoeding is volgens Langeveld de mondige persoonlijkheid. Heel het opvoedend gedrag is erop gericht het kind te helpen mondig te worden, dat wil zeggen, in staat tot bekwaam en moreel en betrouwbaar deelnemen aan samenleving en zelfvorming. (…) De rol van de opvoeder is die van het plaatsvervangend geweten zolang het kind nog niet zelf in staat is verantwoordelijkheid te dragen voor zijn handelingen. De opvoeder is daarbij het model van een ‘zelfverantwoordelijke persoonlijkheid’, gekenmerkt door eigenschappen als gewetensvol, liefdevol, onbaatzuchtig en oprecht. De verantwoording van het kind aan zijn ouders dient geleidelijk aan van de ouders naar binnen te schuiven, zodat het kind tot zelfverantwoordelijke zelfbepaling kan komen. Doel van de opvoeding is de persoonlijke vrijheid en de opvoeding tot personen die achter hun morele oordelen kunnen staan.

Photo by Maximilian Weisbecker on Unsplash